Heeft u een vraag? Neem dan contact met ons op via +31 73 700 36 00. Of laat een bericht achter.
Dit veld is verborgen bij het bekijken van het formulier

Twee B.V.’s, één bestuurder, dubbele dwangsom

Wat elke ondernemer moet weten over risicospreiding en bestuursrechtelijke handhaving.

Niet per se. Rechtbank Oost-Brabant maakte dit onlangs duidelijk. Twee nauw verweven vennootschappen met dezelfde eigenaar-bestuurder werden elk afzonderlijk aangesproken. Uitkomst: € 40.000 aan verbeurde dwangsommen, met een zelfstandige (betalings-)verplichting van € 20.000 per B.V.

De casus
In oktober 2024 trof de Omgevingsdienst Brabant Noord asbesthoudend sloopafval aan op een perceel. Het pand werd verzegeld en het terrein afgezet. Het college van B&W legde aan twee vennootschappen met dezelfde bestuurder-eigenaar, elk afzonderlijk een last onder dwangsom op.

De kern van de last: staken van sloop- en bouwwerkzaamheden en het afgezette gebied niet (laten) betreden, totdat al het asbest was gesaneerd door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. Aan elke last werd een dwangsom gekoppeld van € 5.000 per week, met een maximum van € 30.000.

Bij daaropvolgende controles bleek de verzegeling echter herhaaldelijk te zijn verbroken. Het terrein was betreden: een kruiwagen was meerdere keren verplaatst, toegangen stonden open en hangsloten waren slechts vastgeknoopt in plaats van afgesloten. Kort daarna werd ook een naastgelegen perceel verontreinigd met asbest, veroorzaakt door illegale dumping van met asbest besmet mos.

Vanwege meerdere geconstateerde overtredingen vorderde het college bij beide vennootschappen een bedrag in van € 20.000.

Beide B.V.’s stelden beroep in en voerden onder meer aan dat de overtredingen door derden – mogelijk inbrekers – waren veroorzaakt.

Drie centrale rechtsvragen
1. Is uw B.V. overtreder, ook als een andere B.V. de overtreding pleegt?
Het idee van risicospreiding via een werkmaatschappij is bekend: risicovolle activiteiten in één B.V., terwijl een andere B.V. op afstand blijft. Fiscaal en civielrechtelijk werkt dit vaak prima, maar in het bestuursrecht geldt een andere benadering.

Een van kernvragen was of de tweede vennootschap terecht als overtreder was aangemerkt. Over de eerste vennootschap bestond geen discussie. De tweede vennootschap, huurder en feitelijk gebruiker van het terrein, stelde dat de overtredingen niet aan haar konden worden toegerekend, omdat derden buiten haar weten om het terrein hadden betreden.

De rechtbank oordeelde anders. Als gebruiker van het terrein had deze vennootschap feitelijke macht en daarmee een eigen verantwoordelijkheid voor naleving. Ook handelen van derden kan aan haar worden toegerekend.

Daarnaast paste de rechtbank het Drijfmestarrest toe (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938) voor de beoordeling van functioneel daderschap. Een gedraging kan worden toegerekend aan een rechtspersoon als:

deze is verricht door iemand die voor de rechtspersoon werkt;

  • de gedraging past binnen de normale bedrijfsvoering;
  • de gedraging de rechtspersoon voordeel oplevert;
  • de rechtspersoon had controle over de gedraging en heeft deze aanvaard, ook als zij niet genoeg heeft gedaan om die te voorkomen (nalatigheid telt dus mee).

Volgens de rechtbank was met name voldaan aan het derde criterium (voordeel) en het vierde criterium (zorgplicht en aanvaarding).

De rechtbank gaat niet expliciet in op de rol en daarmee de vraag of de eerste vennootschap door verwevenheid met de bestuurder ook als overtreder kan worden aangemerkt. In de praktijk is dit niet ondenkbaar. Strikt genomen gaat het dan om parallel daderschap: beide entiteiten hebben feitelijk invloed en kunnen ingrijpen.

2. Zijn dubbele dwangsommen bij nauw verweven vennootschappen disproportioneel?
De bestuurder voerde aan dat hij feitelijk één en dezelfde persoon was achter beide vennootschappen, waardoor hij indirect werd geconfronteerd met een maximale dwangsom van € 60.000. Dat zou onevenredig zijn.

De rechtbank verwierp dit betoog en sluit aan bij vaste Afdelingsrechtspraak: nauwe verwevenheid tussen rechtspersonen levert geen bijzondere omstandigheid op om dwangsommen te matigen. Beide vennootschappen zijn juridisch zelfstandige entiteiten met een eigen verantwoordelijkheid. Daarbij wordt weer eens benadrukt dat een last onder dwangsom een herstelsanctie is, geen straf. De draagkracht van de overtreder speelt bij het vaststellen van de hoogte dus geen rol. Vereist is slechts dat de bedragen in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Dat was hier het geval.

De les is duidelijk: wie kiest voor meerdere rechtspersonen, moet rekening houden met meervoudige handhaving.

3. Wat behelst het verbod om een perceel te ‘laten betreden’?
Tot slot werd de reikwijdte van de last betwist. Volgens de vennootschappen zag het verbod slechts op het actief, door uitdrukkelijke toestemming aan derden, toestaan van toegang. Die hadden zij niet gegeven: de hangsloten waren aangebracht, hekwerken geplaatst, betrokkenen geïnformeerd. Wat konden zij nog meer doen?

De rechtbank maakt korte metten met dat betoog. ‘Niet laten betreden’ houdt méér in dan het onthouden van toestemming. Het verplicht tot het nemen van alle redelijkerwijs noodzakelijke maatregelen om toegang te voorkomen. In dit geval betekende dat minimaal hangsloten daadwerkelijk afsluiten, toegangspoorten deugdelijk vergrendelen, en zo nodig de toegangen met houten beplatingen aftimmeren. Het verweer dat inbrekers verantwoordelijk waren, werd door de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde geschoven.

Een dergelijke last onder dwangsom brengt dus een actieve zorgplicht met zich mee. Wie feitelijke macht heeft over een terrein, moet redelijkerwijs te nemen maatregelen treffen om overtredingen te voorkomen en kan daarop worden aangesproken, ook als derden daarbij betrokken zijn.

Contact
Heeft u een vraag over dit onderwerp? Neem dan vrijblijvend contact op met onze specialisten.

Regelmatig op de hoogte blijven van de laatste juridische ontwikkelingen?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief