Home / Ons nieuws / …
Meer weten? Neem contact op met onze specialisten:
Nederland heeft geen wettelijke pensioenplicht. Toch is het voor ca. 70% van de bedrijven verplicht om werknemers een pensioenregeling aan te bieden. Als een werkgever onder de werkingssfeer van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in een bepaalde sector of branche valt, heeft dit verstrekkende gevolgen. Zeker als men er langere tijd vanuit is gegaan dat de onderneming daar níet onder valt, kan de financiële impact enorm zijn. De onderneming is dan niet alleen verplicht zichzelf bij het bedrijfstakpensioenfonds aan te sluiten; ook moet met terugwerkende kracht premieafdracht worden voldaan.
In Nederland zijn ruim 50 verschillende bedrijfstakpensioenfondsen, denk aan het bedrijfstakpensioenfonds voor de bouw, zorg & welzijn, metaal & techniek, schoonmaak, horeca & catering en banden- en wielenbranche. De bedrijfstakpensioenfondsen (laten) controleren of er werkgevers zijn die ten onrechte niet zijn aangemeld. Een bekend voorbeeld is SNCU (Stichting Naleving CAO Uitzendkrachten) die in opdracht van StiPP (Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten) controle uitoefent en werkgevers aanschrijft.
De risico’s en onzekerheid zijn vaak het grootst bij ondernemingen die meerdere soorten activiteiten ontplooien, waarvan enkele activiteiten soms maar marginaal zijn. Denk bijvoorbeeld aan een detailhandel die ook enige horeca-activiteiten ontplooit. De vraag dient zich dan aan hoe ver een werkingssfeerbepaling strekt.
De Hoge Raad heeft zich onlangs over deze vraag uitgelaten in een geschil tussen Hazet en het bedrijfstakpensioenfonds voor de mode-, interieur- en textielindustrie (MITT).
De casus
Hazet, een groothandel gespecialiseerd in schoonmaak- en hygiëneproducten, biedt haar klanten als aanvullende dienst de mogelijkheid om werkkleding te laten bedrukken. Het verplichtstellingsbesluit van het MITT bevatte een zeer ruimte formulering van de werkingssfeer (‘het (doen) vervaardigen en/of ver- en/of bewerken van kleding’) en bovendien geen hoofdzaakcriterium. MITT stelde zich daarom op het standpunt dat de groothandel onder de werkingssfeer van het MITT viel en dus verplicht was deel te nemen aan het bedrijfstakpensioenfonds. De groothandel was het hier – niet geheel verassend – niet mee eens.
In deze zaak stond daarom de vraag centraal of de werkingssfeer onbegrensd is – in die zin dat ook een onderneming die de omschreven activiteiten slechts in geringe mate verricht tóch onder de werkingssfeer valt – of dat, ook zonder hoofdzaakcriterium, de uitleg er volgens de cao-norm toe leidt dat enige ondergrens moet worden aangenomen.
Zowel de kantonrechter als het hof gingen mee in het standpunt van het pensioenfonds: de activiteiten van Hazet konden worden aangemerkt als het (doen) vervaardigen dan wel ver- of bewerken van kleding en daarmee valt Hazet onder de werkingssfeer van het MITT. Het hof oordeelde daarbij echter dat, hoewel de groothandel formeel gezien wel onder de werkingssfeer viel, toepassing van de verplichtstelling in dit specifieke geval onaanvaardbaar was gelet op de omvang van deze nevenactiviteit. Beide partijen gingen hierop in cassatie.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelde anders. Verplichtstellingsbesluiten moeten worden uitgelegd aan de hand van de cao-norm. Volgens deze norm zijn de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de gehele cao, van doorslaggevende betekenis. Het komt daarbij aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de werkingssfeerbepaling en de cao. Daarbij kunnen onder meer de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de verschillende mogelijke interpretaties worden meegewogen.
Volgens de Hoge Raad zou het ontbreken van enige ondergrens in de werkingssfeerbepaling ertoe leiden dat ook ondernemingen die vrijwel uitsluitend activiteiten verrichten die niets te maken hebben met de desbetreffende bedrijfstak, toch binnen de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds vallen. Een dergelijke uitleg waarbij geen enkele ondergrens geldt, zou volgens de Hoge Raad onaannemelijke rechtsgevolgen hebben. Het verplichtstellingsbesluit moet daarom, met toepassing van de cao-norm, zo worden uitgelegd dat er ondanks het ontbreken van een hoofdzaakcriterium wel enige ondergrens bestaat. Een onderneming die in verhouding tot haar totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht die onder de omschrijving van de werkingssfeer vallen, kan niet worden aangemerkt als werkgever in de zin van het verplichtstellingsbesluit.
Waar het hof oordeelde dat de groothandel wél onder de werkingssfeer viel maar dat het niet redelijk en billijk was om hier een beroep op te doen, oordeelde de Hoge Raad dus dat een onderneming met slechts verwaarloosbare activiteiten níet onder de werkingssfeer valt. De Hoge Raad heeft de zaak terugverwezen naar het hof om te beoordelen of bij de betreffende groothandel sprake is van het op verwaarloosbare schaal verrichten van activiteiten die onder de omschrijving van het verplichtstellingsbesluit vallen. Het hof zal daarbij moeten kijken naar de omvang van de activiteiten met betrekking tot het (doen) vervaardigen en/of ver- en/of bewerken van kleding in verhouding tot de overige activiteiten van de onderneming. Daarbij kan het hof gebruikmaken van de factoren die door de Hoge Raad worden genoemd, namelijk de omzet die met deze activiteiten wordt gerealiseerd en de totale loonsom en arbeidsuren die met die activiteiten gemoeid is.
Mocht het hof alsnog oordelen dat de activiteiten van Hazet méér dan verwaarloosbaar zijn, zal het hof opnieuw kunnen beoordelen of de toepassing van het verplichtstellingsbesluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Gevolgen voor de praktijk
Het oordeel van de Hoge Raad is een belangrijke nuancering van de in de praktijk heersende opvatting dat de letterlijke bewoordingen van een werkingssfeerbepaling allesbepalend zijn. Hoewel de bewoordingen van de werkingssfeerbepaling nog steeds leidend zullen zijn, biedt deze uitspraak een kapstok voor discussies over de materiële werkingssfeer van verplichtstellingsbesluiten. Dit zal met name van belang zijn voor ondernemingen met gemengde activiteiten. Waar de grens voor een verwaarloosbare nevenactiviteit precies ligt, zal door de praktijk verder moeten worden uitgewezen. In ieder geval is duidelijk dat die grens bestaat en dat niet iedere nevenactiviteit meteen leidt tot verplichtstelling van een pensioenfonds.
Uiteindelijk is de ondernemer als werkgever zelf verantwoordelijk. Heb je nog geen pensioenregeling of zit je bij een pensioenfonds en zijn er veranderingen binnen de activiteiten van de onderneming, dan is het verstandig de werkingssfeer te laten controleren. Daarnaast verdient het aanbeveling sowieso eens in de paar jaar een quickscan uit te (laten) voeren.
Contact
Vragen over dit onderwerp of van gedachten wisselen? Neem gerust contact met ons op.
Meer weten? Neem contact op met onze specialisten:









Regelmatig op de hoogte blijven van de laatste juridische ontwikkelingen?
Op onze website maken wij gebruik van verschillende cookies. Cookies zijn kleine informatiebestanden die door uw webbrowser op uw computer of andere apparatuur worden geplaatst. Als u onze website nogmaals bezoekt, wordt de informatie die in deze cookies is opgeslagen weer naar uw webbrowser gestuurd. LXA maakt op haar website alleen gebruik van functionele en analytische cookies. Deze cookies hebben geen of slechts een geringe impact op uw privacy.