Home / Ons nieuws / …
Meer weten? Neem contact op met onze specialist:
Het vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 6 juli 2026 lijkt op het eerste gezicht een routinezaak: een huurder van bedrijfsruimte die de huur niet meer betaalt, een verhuurder die betaling en ontruiming vordert, en een gedaagde die niet opdaagt. Toch verdient deze uitspraak aandacht, omdat de rechter een fundamentele vraag op het snijvlak van huurrecht en verbintenissenrecht beantwoordt: wat als de verhuurder zowel een contractuele boete als de wettelijke handelsrente over dezelfde huurachterstand vordert?
Die vraag is voor verhuurders van bedrijfsruimte allesbehalve academisch. In vrijwel elke huurovereenkomst voor bedrijfsruimte is een boetebeding opgenomen voor te late betaling, veelal gebaseerd op de Algemene Bepalingen van de ROZ. Daarnaast is de wettelijke (handels)rente van oudsher het middel om verhuurders schadeloos te stellen voor de vertraging in de betaling van de huurprijs. De verleiding om beide vorderingen naast elkaar in te stellen, is groot. En in de praktijk dan ook veelvoorkomend.
Feiten
In maart 2022 is een huurovereenkomst tot stand gekomen. Op de overeenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW uit 2012 van toepassing. Deze bepalingen bevatten in artikel 25.3 een boetebeding: bij te late betaling verbeurt de huurder van rechtswege 1% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,00 per maand.
De huurprijs bedraagt € 2.549,93 exclusief btw per maand. Vanaf oktober 2025 is een betalingsachterstand ontstaan die per 29 juni 2026 is opgelopen tot € 25.268,78 inclusief btw. Ondanks herinneringen en sommaties is de achterstand blijven bestaan. De verhuur vordert betaling, ontbinding en ontruiming. De huurder is op de zitting niet verschenen, zodat verstek is verleend.
De juridische vraag
De meest markante vraag is of een verhuurder die op grond van een contractueel boetebeding een boete vordert, daarnaast ook de wettelijke (handels)rente over dezelfde huurachterstand kan vorderen.
Rechtsoverwegingen en analyse
Boete versus wettelijke handelsrente: de kern
Verhuurder vordert op grond van artikel 25.3 een contractuele boete van € 1.500,00, die onbetwist wordt toegewezen. Daarnaast vordert verhuurder echter wettelijke handelsrente over de achterstallige huursom. De kantonrechter overweegt dat de wettelijke (handels)rente een schadevergoeding betreft voor vertraging in de voldoening van een geldsom. Met het boetebeding van artikel 25.3 hebben partijen echter een regeling overeengekomen voor precies die schade. Artikel 6:92 lid 2 BW bepaalt dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats treedt van de wettelijke schadevergoeding. Tenzij partijen zijn overeengekomen dat zowel de wettelijke schadevergoeding als de boete verschuldigd is. Verhuurder heeft niet gesteld dat partijen zo’n cumulatiebeding zijn overeengekomen, zodat de vordering tot wettelijke (handels)rente wordt afgewezen.
Deze afwijzing past in een consistente jurisprudentiële lijn rond artikel 6:92 lid 2 BW: een contractuele boete die strekt tot vergoeding van dezelfde schade als de wettelijke schadevergoeding, verdringt die schadevergoeding. Tenzij een uitdrukkelijk cumulatiebeding is overeengekomen. Dat de boete hier wordt aangeduid als “boete (rente)” doet daar niet aan af. De strekking van het beding is om de schade door vertraging in betaling te vergoeden.
Praktische implicaties
Voor verhuurders betekent deze uitspraak dat bij het opstellen van huurovereenkomsten en het formuleren van vorderingen scherp moet worden nagedacht over de verhouding tussen boete en rente. Wie een contractueel boetebeding heeft dat strekt tot vergoeding van de schade door vertraging in betaling, kan niet zonder meer ook de wettelijke (handels)rente vorderen, tenzij in de huurovereenkomst of de daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden een uitdrukkelijk cumulatiebeding is opgenomen. Willen partijen beide kunnen vorderen, dan moet dit nadrukkelijk en expliciet in het contract worden vastgelegd.
Voor de procespraktijk is de uitspraak een herinnering dat de kantonrechter, ook bij verstek, een eigen inhoudelijke toetsing uitvoert. Verhuurders kunnen zich er niet van uitgaan dat bij afwezigheid van de huurder de vordering automatisch wordt toegewezen.
Conclusie
Het vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 6 juli 2026 is in de kern een bevestiging van een fundamenteel beginsel uit het verbintenissenrecht: een contractuele boete die strekt tot vergoeding van dezelfde schade als de wettelijke schadevergoeding, verdringt die schadevergoeding op grond van artikel 6:92 lid 2 BW. De uitspraak is daarmee vooral een duidelijke waarschuwing voor de praktijk: wees bij het opstellen van huurovereenkomsten en het formuleren van vorderingen scherp over de keuze tussen boete en rente.
Contact
Heeft u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met onze specialisten.
Meer weten? Neem contact op met onze specialist:











Want to stay informed about the latest developments in the field of law?
We use various cookies on our website. Cookies are small data files that your web browser places on your computer or other device. When you visit our website again, the information stored in these cookies is sent back to your browser. LXA only uses functional and analytical cookies on its website. These cookies have little or no impact on your privacy.