Wanneer een handtekening zonder bevoegdheid tóch bindt
Volgens de wet geldt als uitgangspunt dat een overeenkomst alleen bindend is wanneer deze is gesloten door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger. In de praktijk blijkt echter regelmatig dat contracten worden ondertekend door medewerkers die formeel geen (of slechts een beperkte) volmacht hebben.
Het ontbreken van een volmacht betekent niet automatisch dat de onderneming buiten schot blijft. Onder omstandigheden kan zij toch gebonden zijn, namelijk wanneer bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de handelende persoon wél bevoegd was. Dit wordt aangeduid als schijn van volmachtverlening (art. 3:61 lid 2 BW).
Maar het risico beperkt zich niet tot de onderneming. Degene die zonder (toereikende) volmacht handelt, staat op grond van art. 3:70 BW persoonlijk in voor het bestaan en de omvang van de volmacht. Dat kan leiden tot aanzienlijke persoonlijke aansprakelijkheid.
In dit artikel bespreken wij het leerstuk, de wettelijke kaders, de rol van de KvK-inschrijving, het instaan voor de volmacht en de belangrijkste lessen voor de praktijk.
Van schijn van volmachtverlening is sprake wanneer een rechtshandeling wordt verricht door iemand zonder (toereikende) volmacht, maar de wederpartij redelijkerwijs mocht aannemen dat die bevoegdheid wél bestond. Het gaat niet om de vraag of daadwerkelijk een volmacht is verleend, maar om het vertrouwen van de wederpartij.
Artikel 3:61 lid 2 BW bepaalt dat de achterman zich niet kan beroepen op het ontbreken van volmacht indien de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op bevoegdheid, op grond van feiten en omstandigheden die voor rekening van de achterman komen. Daarbij gelden twee beginselen:
De Hoge Raad heeft herhaaldelijk benadrukt dat verwijtbaarheid geen vereiste is: zelfs als de pseudo-volmachtgever geen verwijt kan worden gemaakt van de gewekte schijn, is de regeling van toepassing. Is aan de vereisten voldaan, dan raken partijen in de rechtspositie alsof wél een (toereikende) volmacht was verleend.
In het arrest van 6 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:872) bevestigde de Hoge Raad dat schijn van volmachtverlening kan worden aangenomen op grond van zowel het toedoen- als het risicobeginsel. De zaak betrof een zzp'er (Betrokkene A) die namens een verkoper van bloembollen een bemiddelingsopdracht had gegeven aan de Coöperatieve Koninklijke Nederlandse Bloembollencentrale (CNB), terwijl een schriftelijke volmacht ontbrak en de toenmalig bestuurder van verkoper inmiddels was overleden.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat CNB gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de bevoegdheid van Betrokkene A, onder meer omdat:
Dat de overeenkomst betrekking had op een ander bedrijfsmiddel, was gesloten vlak na het overlijden van de bestuurder, en dat de sub-licenties volgens de holding ver onder de marktwaarde waren verkocht, deed aan dit oordeel niet af. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en deed de zaak af op grond van art. 81 RO.
In de praktijk wordt vaak gedacht dat de KvK-inschrijving doorslaggevend is voor de vraag wie bevoegd is om namens een onderneming te handelen. Dat is een veelvoorkomende misvatting.
De inschrijving in het Handelsregister is niet constitutief, maar informatief. Zij kan bijdragen aan gerechtvaardigd vertrouwen, maar is niet beslissend. Ontbreekt iemand in de KvK als bestuurder of gevolmachtigde, dan sluit dat de schijn van volmachtverlening niet uit. Omgekeerd biedt een inschrijving geen absolute zekerheid over de omvang van de bevoegdheid.
Zoals het hof in Bronswerk/Batt Cables (Hof Arnhem-Leeuwarden 28 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:10440) oordeelde: de inschrijving in het handelsregister laat de opgewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid onverlet. De onderneming kan dus gebonden raken als zij een onbevoegde persoon structureel liet optreden, eerdere transacties accepteerde, bedrijfsmiddelen (briefpapier, e-mailadres, visitekaartjes, orderformulieren) liet gebruiken of geen duidelijke grenzen stelde.
Degene die als gevolmachtigde optreedt, staat op grond van art. 3:70 BW jegens de wederpartij in voor het bestaan en de omvang van de volmacht. Dit is een garantieaansprakelijkheid: de pseudo-gevolmachtigde garandeert impliciet dat hij over een toereikende volmacht beschikt. Het maakt daarbij niet uit of hij te goeder trouw was. De wederpartij kan het positieve contractsbelang vorderen. Dat wil zeggen: volledige vergoeding van de schade die zij lijdt doordat de beoogde overeenkomst niet tot stand komt. De bewijslast dat wél een toereikende volmacht bestond, rust op de pseudo-gevolmachtigde (HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1384, Zandvliet/Vlielander). Alleen wanneer de wederpartij wist of moest weten dat
een volmacht ontbrak, of wanneer de gevolmachtigde de inhoud van zijn volmacht volledig had medegedeeld, ontbreekt deze aansprakelijkheid. Daarnaast kan onbevoegd optreden onder omstandigheden een onrechtmatige daad opleveren (art. 6:162 BW), maar dat hoeft niet per se het geval te zijn (HR 31 januari 1997, NJ 1998/704, De Slingerij/Provincie Groningen).
Dit risico speelt in het bijzonder bij commerciële functies (accountmanagers, inkopers), vaste contactpersonen, medewerkers en zzp'ers die langdurig zelfstandig onderhandelen, en situaties waarin de onderneming het optreden duldt of faciliteert.
Het leerstuk schijn van volmachtverlening vormt een krachtig correctiemechanisme in het handelsverkeer. Waar formele bevoegdheden ontbreken, kan feitelijk gedrag alsnog leiden tot gebondenheid van de onderneming. De KvK-inschrijving biedt daartegen geen bescherming en interne afspraken zijn extern niet doorslaggevend.
Voor degene die als gevolmachtigde optreedt, geldt een zelfstandig en aanzienlijk risico: op grond van art. 3:70 BW staat hij in voor het bestaan en de omvang van de volmacht, met het positieve contractsbelang als uitgangspunt.
Ondernemingen doen er goed aan hun organisatie, communicatie en contracteerprocessen kritisch te bezien. Voor werknemers en functionarissen geldt dat onbevoegd optreden niet alleen gevolgen kan hebben voor de onderneming, maar ook — en in het bijzonder — voor henzelf.
Wilt u weten of uw organisatie voldoende beschermd is, of twijfelt u over een concrete situatie? Neem contact op met onze specialisten: Edwin Mulders, Lenny Godding, Maggie van Waaijenburg en Niels Setz.