ONDERNEMINGSRAAD DOOR BESTUURDER OP VERKEERDE BEEN GEZET IN WOR-ADVIESPROCEDURE

ONDERNEMINGSRAAD DOOR BESTUURDER OP VERKEERDE BEEN GEZET IN WOR-ADVIESPROCEDURE

27 juli 2016

Sinds jaar en dag vormt artikel 25 WOR (Wet op de ondernemingsraden) een van de meest belangrijke regelingen van het medezeggenschapsrecht: dit betreft het adviesrecht van de Ondernemingsraad over voorgenomen reorganisatiebesluiten (om het heel kort door de bocht uit te drukken). Een dergelijke adviesprocedure moet voldoen aan vele voorwaarden. Zo mag het advies niet te laat worden gevraagd maar ook niet te vroeg, moet de noodzakelijke en door de OR gevraagde informatie worden aangeleverd en moet duidelijk worden omschreven welke personele consequenties aan het voorgenomen besluit verbonden zijn en hoe deze consequenties worden opgevangen. In de praktijk gaat het bij dergelijke adviesprocedures regelmatig fout en dat wordt flink bestraft: de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam kan op verzoek van de Ondernemingsraad tot het oordeel komen dat de ondernemer niet in de redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Vervolgens kan de Ondernemingskamer de ondernemer verplichten om zijn eerdere besluit in te trekken en inmiddels verrichte uitvoeringshandelingen terug te draaien.

Casus: Koninklijke Fabriek Inventum (KFI) vs. haar Ondernemingsraad

Begin 2015 vraagt KFI aan de Ondernemingsraad advies over haar voorgenomen besluit om een bepaalde businessunit uit kostenoverweging te verplaatsen naar de Filipijnen. Dit besluit volgt op een eerder besluit – in 2011 – om assemblageactiviteiten naar de Filipijnen om dezelfde reden over te hevelen. In 2015 gaat het om 17 functies (deels voor onbepaalde, deels voor bepaalde tijd) die overbodig zullen worden in de loop van de tijd eindigend op 1 april 2016. In de adviesaanvrage geeft KFI aan dat zij rekening zal houden met de sociale gevolgen van de voorgenomen reorganisatie en met de vakbonden in overleg zal treden in overeenstemming met de van toepassing zijnde cao Metalektro.

Vanwege deze adviesaanvrage aan de Ondernemingsraad ontstaat een vraag- en antwoordsessie tussen de bestuurder en de Ondernemingsraad waarin KFI mededeelt dat het oude sociaal plan uit 2011 niet zal worden toegepast vanwege de invoering van de transitievergoeding per 1 juli 2015. In dat oude sociaal plan kwam een vergoeding voor met de  kantonrechtersformule en correctiefactor C= 1,5. In juni 2015 ontvangt de Ondernemingsraad van de HR-afdeling van KFI een ontslagregeling waarin wordt verwezen naar een ontslagvergoeding ter grootte van de kantonrechtersformule met correctiefactor C=0,8. Uiteindelijk deelt de Ondernemingsraad mee dat de onderhandelingen over sociaal plan met de vakorganisaties moeten worden gevoerd maar dat als een sociaal plan met de vakorganisaties wordt afgesproken de Ondernemingsraad positief zal adviseren. Na wat geharrewar blijkt enige tijd later dat KFI en de vakorganisaties niet tot overeenstemming komen omdat KFI in die onderhandelingen niet verder wil gaan dan de wettelijke transitievergoeding x 1,35 en de vakorganisaties niet lager wilden gaan dan de wettelijke transitievergoeding x 2. Dit leidt tot een boze reactie van de Ondernemingsraad die KFI verwijt de onderhandelingen met de vakorganisaties te zijn ingegaan met een lager bod dan KFI eerder aan de Ondernemingsraad zelf heeft laten weten namelijk de kantonrechtersformule met C=0,8. Omdat KFI  vast houdt aan de transitievergoeding x 1,35 adviseert de Ondernemingsraad van KFI negatief over het voorgenomen besluit waarna KFI overeenkomstig haar voorgenomen besluit beslist en met uitvoeringshandelingen begint. Hierop vordert de Ondernemingsraad bij de Ondernemingskamer voorlopige voorzieningen die erop neer komen dat het KFI wordt verboden uitvoering te geven aan het door haar genomen besluit.

De Ondernemingskamer

De Ondernemingskamer zet de gebeurtenissen in het adviestraject op een rij en concludeert dat KFI gedurende het medezeggenschapstraject geen consistente mededelingen heeft gedaan over haar maatregelen om de personele gevolgen van het voorgenomen besluit te ondervangen. Met name het voorspiegelen aan de Ondernemingsraad van een regeling op basis van de kantonrechtersformule met C=0,8 had KFI niet te goeder trouw mogen brengen tot een onderhandeling met de vakorganisaties op basis van minder dan dat. De Ondernemingskamer vindt dat KFI de Ondernemingsraad op een verkeerd been heeft gezet met de regeling die door haar HR-afdeling aan de Ondernemingsraad was toegezonden. Omdat de ondernemer verantwoordelijk is voor een goed verloop van het medezeggenschapstraject moet dat aan KFI worden toegerekend. Als het niet de bedoeling van KFI was geweest dat die door de HR-afdeling voorgestelde regeling als aanbod had te gelden, dan had KFI dat direct duidelijk moeten maken. Tenslotte oordeelt de Ondernemingskamer dat KFI tekort geschoten is in haar motiveringsverplichting om in het uiteindelijke besluit toe te lichten waarom zij uiteindelijk een slechter aanbod aan de werknemers wenst te doen dan zijzelf via haar HR-afdeling enkele maanden daarvoor op papier heeft gezet. De Ondernemingskamer oordeelt dat KFI niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen en geen verdere uitvoering mag geven aan het door haar genomen besluit.

Conclusie

Op het moment van besluitvorming door KFI betrof haar reorganisatie nog 6 werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het blijft hoe dan ook onbegrijpelijk waarom KFI in juni 2015 zelf spreekt van een vergoeding op basis van de kantonrechtersformule met C=0,8 en korte tijd later niet verder wil gaan dan de transitievergoeding x 1,35. In dit geval moet worden aangenomen dat de transitievergoeding x 2 om en nabij gelijk is aan de  kantonrechtersformule met C=0,8. Dus KFI heeft geen sociaal plan met de vakorganisaties bereikt  op een in omvang niet al te groot verschil in ontslagvergoeding voor een beperkt aantal mensen terwijl enkele maanden eerder wel de bereidheid zou hebben bestaan om op basis van de uitgangspunten van de vakorganisatie een sociaal plan aan te bieden. KFI heeft nu de relatie met de vakorganisaties beschadigd, een hoog opgelopen en kostbaar geschil met haar Ondernemingsraad gevoerd en uiteindelijk alleen tijdverlies en gezichtsverlies geleden.

 

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 12-01-2016, 200.178.158/01 OK, ECLI:NL:GHAMS:2016:380

 

 

Auteur:
Meer weten? Neem contact op met: