Photo 1516180598628 A57a3dda1a80

Stilleggen vanwege een afwijking op het Certificatieschema. Kan dat?

1 april 2020

Tijdens onze cursussen voor omgevingsdiensten wordt vaak de vraag gesteld of toezichthouders kunnen controleren op de naleving van het Certificatieschema. Een algemeen antwoord is dan lastig te geven. Een voorbeeld maakt vaak een hoop duidelijk.

Een praktijkvoorbeeld

Stel, een toezichthouder asbest van de omgevingsdienst bezoekt een saneringslocatie waar asbesthoudende golfplaten worden gesaneerd van een oude schuur. De toezichthouder constateert dat geen bronafzuiging wordt toegepast en de asbesttoepassing ook niet vooraf is natgemaakt.

De toezichthouder is van mening dat de werkzaamheden hierdoor plaatsvinden in strijd met het Certificatieschema (artikel 43 lid 4). Ook het Arbobesluit is volgens hem overtreden (artikel 4.45) Hij legt de werkzaamheden stil en eist dat het saneringsbedrijf eerst bronmaatregelen treft.

Probleem is dat de omgevingsdienst (college van B&W) niet het bevoegd gezag is om handhavend op te treden tegen een overtreding van het Certificatieschema. Het toezicht op de naleving van het Arbobesluit is opgedragen aan Inspectie SZW.

 

Welke rol is weggelegd voor de Omgevingsdienst?

In de Arboregelgeving staan dus specifieke(re) bepalingen over de wijze van sanering en het gebruik van bronmaatregelen. Maar dat maakt in mijn optiek niet dat helemaal geen rol is weggelegd voor de omgevingsdienst. Het primaire doel van bronmaatregelen is dat de werknemers zo min mogelijk worden blootgesteld aan asbestvezels. Maar het nemen van bronmaatregelen is net zo goed van belang voor de bescherming van mens en milieu.

Het is de uitdaging voor de handhavingsjurist om de juiste handhavingsgrondslag te vinden bij de specifieke situatie, op grond waarvan het college van B&W wel bevoegd is om te handhaven.

Indien een beroep wordt gedaan op bijvoorbeeld de zorgplicht van artikel 1.1a Wet milieubeheer dan is het wel zaak dat deugdelijk wordt gemotiveerd dat door het onjuist saneren nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt. Bijvoorbeeld omdat het risico bestaat op verspreiding van het asbest in de omgeving. Wij zien in onze praktijk dat het hier vaak mis gaat.

Afhankelijk van de situatie kan het soms verstandiger zijn gebruik te maken van artikel 1a Woningwet. Deze bepaling wordt veelal gebruikt om handhavend op te treden tegen eigenaren. Maar artikel 1a Woningwet biedt ook mogelijkheden om handhavend op te treden tegen een sloop-, aannemings- of saneringsbedrijven, bij het onveilig verwijderen van asbest.

 

Advies

Hoewel de rol van de omgevingsdiensten bij het toezicht op saneringsbedrijven beperkt lijkt, kan onder omstandigheden toch handhavend worden opgetreden als op een verkeerde wijze wordt gesaneerd. Wel zal de handhavingsjurist dan een vertaling moeten maken naar een van de handhavingsgrondslagen waarvoor het college van B&W bevoegd is. Daarbij zal moeten worden gemotiveerd dat het verkeerd verwijderen van asbest nadelige gevolgen heeft voor mens en milieu veroorzaakt.

Kan die motivering niet worden gegeven, dan bestaat wellicht ook minder aanleiding voor een stillegging. In dat geval kan de omgevingsdienst nog kiezen voor een melding aan de certificerende instelling of Inspectie SZW. Artikel 68 van het Certificatieschema bepaalt dat een certificerende instelling verplicht is om een afwijking uit te schrijven op het certificaat van het saneringsbedrijf als de afwijking wordt gemeld door de omgevingsdienst of andere toezichthoudende instelling.

Meer weten? Neem contact op met: