Photo 1615314843323 16960C165dce

WANNEER BLIJFT EEN GEMEENTE ZITTEN MET DE KOSTEN NA ASBESTBRAND?

6 juli 2021

Bij een asbestbrand blijft de verspreiding van asbest doorgaans niet beperkt tot het eigen perceel, maar komen asbestvezels ook terecht in de nabije omgeving. Niet alleen leidt een asbestbesmetting van naburige percelen of de publieke ruimte tot overlast en mogelijk schade voor derden, maar de verspreiding van asbestvezels levert ook een gevaar op voor de volksgezondheid en leidt daarnaast tot milieuschade. Gemeenten zien hierin vaak een reden om direct in te grijpen en door middel van spoedeisende bestuursdwang de sanering in eigen hand te nemen. Om achteraf discussie over de kosten te voorkomen, is het goed om te weten dat de eigenaar van het perceel of de ondernemer in beginsel het recht heeft om het (laten) inventariseren en saneren van het asbest zelf op te pakken.

Recent zijn twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gepubliceerd, waarin de vraag aan de orde komt of de gemeente   terecht de kosten van spoedeisende bestuursdwang op de eigenaar van het bedrijfsperceel heeft verhaald.

In de eerste kwestie oordeelt de Afdeling dat de gemeente het grootste deel van de kosten wel heeft mogen verhalen. In de tweede kwestie blijft de gemeente juist met de kosten zitten. Wat maakt dat de Afdeling in deze kwesties tot verschillende beslissingen komt?

 

Kostenverhaal gedeeltelijk terecht

In de kwestie die wordt behandeld in de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2021 speelde zich het volgende af.

Op 2 mei 2018 vindt een brand plaats in de veestal en de opslagschuur van een melkveehouderij. Het daarbij vrijgekomen asbest verspreidt zich over de aangrenzende woonwijk. Het college van B&W vindt het nodig dat direct maatregelen worden getroffen. De melkveehouder – notabene net terug uit het ziekenhuis - maakt kenbaar dat het hem niet lukt om op korte termijn de noodzakelijke maatregelen te treffen. Daarop besluit het college om nog diezelfde dag spoedeisende bestuursdwang toe te passen, waarbij opdracht wordt gegeven om een asbestinventarisatieonderzoek uit te voeren en al het vrijgekomen asbest te saneren.

Om het asbest zo snel mogelijk te kunnen opruimen is het verontreinigde gebied opgeknipt in verschillende projectonderdelen, waarbij telkens naar aanleiding van een inventarisatie van een bepaald projectgedeelte saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd. Een aantal dagen na de brand neemt de melkveehouder samen met zijn verzekeraar contact op met de gemeente. Daarbij wordt kenbaar gemaakt dat de nog resterende sanering kan worden overgenomen. Sterker nog, met de saneerder die op dat moment al bezig was met het eerste deel van de sanering waren al afspraken gemaakt over het voortzetten daarvan. Het college weigert echter de sanering uit handen te geven. De in het kader van bestuursdwang gemaakte kosten - ruim drie ton – worden nadien verhaald op de eigenaar van het bedrijf.

In de gerechtelijke procedure stelt de melkveehouder zich op het standpunt dat een deel van de kosten die de gemeente had gemaakt niet op hem hadden mogen worden verhaald. Omdat de melkveehouder kenbaar had gemaakt een nieuw aangebroken fase van de sanering uit te kunnen voeren, diende hij vanaf dat moment niet langer als overtreder te worden aangemerkt. Immers, hij was weer in staat om de gevolgen van de asbestbrand zoveel mogelijk te verhelpen, waardoor niet meer in strijd werd gehandeld met artikel 17.1 van de Wet milieubeheer.

De Afdeling oordeelt echter dat ook voor de nog resterende werkzaamheden sprake was van een spoedeisende situatie, gelet op het risico van een (nog) verdere verspreiding van het asbest. Er was sprake van een voortdurende spoedeisendheid. Gelet hierop was het college dus niet verplicht om alsnog een begunstigingstermijn te geven voor het uitvoeren van de resterende werkzaamheden. De Afdeling oordeelt dan ook dat dat voldoende grondslag bestond voor het toepassen van spoedeisende bestuursdwang. Daarbij heeft de Afdeling impliciet ook geoordeeld dat de melkveehouder nog steeds als overtreder was aan te merken.

Enkele weken later werd onder dakpannen van enkele woningen nog asbesthoudend materiaal gevonden dat afkomstig was van de brand. Dit hoefde echter niet urgent te worden gesaneerd. Het college had de ondernemer dus eerst in staat moeten stellen om dit asbest zelf te (laten) verwijderen, door het opleggen van een nieuwe last onder bestuursdwang met een (redelijke) begunstigingstermijn.

Nu dit niet is gebeurd, is in zoverre dus ten onrechte spoedeisende bestuursdwang toegepast. De kosten van deze niet-urgente saneringswerkzaamheden konden dan ook niet worden verhaald. De mededeling van de melkveehouder dat hij niet in staat was om een spoedsanering uit te voeren, kon hem ten aanzien van deze asbestbesmetting niet worden tegengeworpen.

 

Kostenverhaal onterecht

Op 2 juni 2021 doet de Afdeling uitspraak in een vergelijkbare kwestie. Op zaterdag 16 februari 2019 breekt in de vroege ochtend brand uit in een bedrijfspand. Als gevolg van de brand raakt naar schatting een gebied van ruim 3600 vierkante meter besmet met asbest. Vanwege de omvang van het verontreinigde gebied en de vrees de volksgezondheid besluit het college om diezelfde dag spoedeisende bestuursdwang toe te passen.  

De eigenaar van het bedrijfspand brengt in de gerechtelijke procedure naar voren dat het college hem - onterecht - niet heeft toegestaan om zelf maatregelen te nemen om de ontstane asbestverontreiniging ongedaan te maken. Het college stelt zich echter op het standpunt dat de situatie het niet toeliet om eerst nog een begunstigingstermijn te verlenen.

De Afdeling oordeelt in dit geval dat het college ten onrechte is overgegaan tot spoedeisende bestuursdwang. Daarbij is van belang dat de eigenaar zelf tijdig actie had ondernomen door een asbestsaneringsbedrijf in te schakelen. In de procedure komt ook vast te staan dat dit bedrijf klaar stond om aansluitend op het blussen van de brand met de sanering aan de slag te gaan én dat de eigenaar dit ook meerdere malen aan de gemeente kenbaar had gemaakt. Echter was de eigenaar niet toegelaten bij de eerste gesprekken van de gemeente over de aanpak van de gevolgen van de brand en besloot de gemeente desondanks om de sanering van de omgeving van het perceel in eigen hand te nemen. De eigenaar werd enkel toegestaan om de sanering van zijn eigen perceel te organiseren.

De Afdeling overweegt dat het enkele feit dat sprake is van een spoedeisende situatie niet automatisch betekent dat het college de sanering zonder meer op zich mag nemen. Van belang is dat de eigenaar hier – tijdig, dus vanaf het allereerst begin – had aangegeven dat hij de sanering op zich wilde nemen en is gebleken dat hij ook in staat was om het vrijgekomen asbest met de vereiste spoed te laten verwijderen. De Afdeling komt op basis hiervan tot de conclusie dat de eigenaar ten onrechte mogelijkheid is ontnomen om de sanering op zich te nemen. Volgens de Afdeling was daarom geen sprake van een situatie dat de eigenaar had nagelaten om de benodigde maatregelen te treffen en kon de eigenaar niet worden aangesproken voor het laten voortduren van een gevaar voor de volksgezondheid.

Het college had deze eigenaar daarom ten onrechte aangemerkt als overtreder in de zin van de artikelen 1.1a, tweede lid en 10.1, tweede lid Wet milieubeheer en artikel 1a, eerste lid Woningwet. Hierdoor bestond dus geen grondslag voor het toepassen van spoedeisende bestuursdwang en was het niet mogelijk om de kosten op de eigenaar te verhalen.

 

Slotbeschouwing

Uit het voorgaande blijkt dat het bevoegd gezag er rekening mee dient te houden dat zij de overtreder in beginsel eerst in staat moet stellen om zelf maatregelen te treffen. Daarbij zijn uitlatingen van de (vermeende) overtreder van groot belang. Laat deze – vaak om begrijpelijke reden – weten niet direct in staat te zijn om alles te organiseren, dan is de kans van deze overtreder bekeken. Het alsnog overnemen van bepaalde werkzaamheden blijkt vervolgens erg lastig. Daarnaast laat de rechtspraak ook zien dat het bevoegd gezag reeds verrichte inspanningen niet zomaar naast zich neer kan leggen en dient mee te wegen in de besluitvorming om al dan niet over te gaan tot spoedeisende bestuursdwang.  

Degene die wordt geconfronteerd met een asbestverontreiniging doet er goed aan direct aan het bevoegd gezag kenbaar te maken dat hij zowel bereid als in staat is om zelf maatregelen te treffen om de asbestverontreiniging ongedaan te maken. Hierdoor kan worden voorkomen dat het bevoegd gezag overgaat tot spoedeisende bestuursdwang, waardoor men zelf de kosten kan beheersen. Hierbij geldt uiteraard wel dat dat het bevoegd gezag nog steeds nadere voorwaarden kan stellen aan de wijze van sanering en kan zij altijd toezicht houden op de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden.

 

Wilt u meer informatie over dit onderwerp, wenst u advies in een lopende kwestie of wilt u bijgestaan worden in een procedure, neem dan vrijblijvend contact op met een van onze specialisten op het gebied van asbest.

Auteur:
Meer weten? Neem contact op met: