HOE BESCHERMT U UW CONCURRENTIEPOSITIE?

HOE BESCHERMT U UW CONCURRENTIEPOSITIE?

10 juli 2018

Concurrentie is gezond, zolang sprake is van een ‘level playing field’. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat uw concurrenten zich houden aan regels die ook voor uw bedrijf gelden. Door recente rechtspraak van de Raad van State kunnen ondernemers makkelijker hun concurrentiepositie veiligstellen via het bestuursrecht.

Relativiteit

De ondernemer die door het starten van een civielrechtelijke procedure zijn (concurrentie-) belang wil beschermen zal al snel aanlopen tegen het vereiste van relativiteit. Uit artikel 6:163 Burgerlijk Wetboek volgt dat voor het aanmerken van een situatie als zijnde ‘onrechtmatig’, de ondernemer zich enkel kan beroepen op normen en regels die strekken tot bescherming van zijn eigen belang. Niet alle normen strekken echter tot bescherming van een concurrentiebelang. Zo strekt de Wet op de geneesmiddelenvoorziening er bijvoorbeeld slechts toe om de volksgezondheid te beschermen en strekt deze wet niet tot bescherming tegen schade die producenten van geneesmiddelen lijden door oneerlijke concurrentie.

Ook in het bestuurs-(proces)recht geldt sinds 1 januari 2013 het relativiteitsvereiste, vastgelegd in artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht. Op grond van dit vereiste mag ook de bestuursrechter een besluit niet vernietigen als de schending van een norm niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

In een aantal recente uitspraken van de Raad van State wordt het relativiteitsvereiste echter beperkter toegepast. Dat betekent dat meer ruimte ontstaat voor het inroepen van concurrentiebelangen bij de bestuursrechter.

Extra bescherming voor concurrenten in het bestuursrecht; de ‘slijterijzaken’

In de ‘slijterijzaken’ (zie: ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1280 & ABRvS 28 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3453) speelden op de achtergrond de handhavingsverzoeken van de SlijtersUnie als belangenorganisatie voor zelfstandige slijters.

Aanleiding voor de handhavingsverzoeken was het systematische gebrek aan controle op de Drank- en Horecawet in slijterijen die zijn gevestigd in supermarkten. Aan de orde was de handhaving van het verbod uit artikel 24 Drank- en Horecawet. Dat artikel verbiedt om een slijterij open te houden zonder aanwezigheid van een leidinggevende.

In de visie van de SlijtersUnie diende de gemeente handhavend op te treden tegen de situatie in supermarkten waarin één leidinggevende beschikbaar was voor zowel de supermarkt als het slijterij-gedeelte. Het gegeven dat zelfstandige slijters wel continu een leidinggevende moesten inhuren om te voldoen aan de Drank- en Horecawet en de supermarkt-slijterijen niet, vormde een kostenbesparing en daarmee een verbetering van de concurrentiepositie voor de supermarkt-slijterij ten opzichte van een zelfstandig opererende slijterij. Volgens de Raad van State was hierdoor sprake van een overtreding van artikel 24 Drank- en Horecawet.

De vervolgvraag die in deze zaak aan de orde kwam was de volgende: strekt artikel 24 Drank- en Horecawet ook daadwerkelijk tot bescherming van de belangen van SlijtersUnie? Naar het oordeel van de Raad van State strekt de Drank- en Horecawet tot bescherming van de ‘volksgezondheid’ en de ‘openbare orde’, en dus niet tot bescherming van het (concurrentie)belang van SlijtersUnie.

Desondanks past de Raad van State in de ‘slijterijzaken’ de zogenaamde correctie-Widdershoven toe. De Raad van State oordeelt dat − hoewel artikel 24 Drank- en Horecawet niet strekt tot bescherming van het concurrentiebelang van SlijtersUnie en daarmee normaal gesproken in de weg staat van de vernietiging van het besluit (tot afwijzing van het handhavingsverzoek) – de schending van artikel 24 Drank- en Horecawet wel ertoe leidt dat hier het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Immers leidde het gebrek aan handhaving door de gemeente ertoe dat bepaalde ondernemers meer kosten moesten maken om te kunnen voldoen aan de wet, terwijl andere bedrijven de wet straffeloos overtraden.  Hierdoor kon met succes bescherming van het concurrentiebelang worden ingeroepen bij de bestuursrechter, zonder dat het beroep strandde op de relativiteitseis.

Conclusie

De ondernemer die ter bescherming van zijn concurrentiepositie naar de rechter wil stappen, heeft sinds kort meer ruimte bij de bestuursrechter om zijn belang te laten gelden. De Raad van State accepteert in de ‘slijterijzaken’ dat ook als een ingeroepen norm op zichzelf niet strekt tot bescherming van een concurrentiebelang, die omstandigheid wel kan leiden tot het oordeel dat er een schending is van het gelijkheidsbeginsel of een ander materieel rechtsbeginsel dat wel strekt tot bescherming van de belangen van de ondernemer.

Heeft u vragen over het veiligstellen van uw concurrentiepositie of wenst u op te komen tegen voor u ongunstige (naburige) ontwikkelingen, neem dan vrijblijvend contact op met een van onze specialisten. 

Auteur:
Meer weten? Neem contact op met: