Photo 1525972475276 711875162Dd1

Kan alleen een overtreder tegen een dwangsombesluit opkomen?

5 december 2019

In deze zaak ging het om een bedrijfsverzamelgebouw met daarin bedrijfsunits die worden verhuurd. De eigenaar verhuurde een bedrijfsunit aan twee huurders die op de benedenverdieping een bedrijfsruimte exploiteerden en op de bovenverdieping woonden. Het College van B&W van de gemeente Schagen was het niet eens met deze bewoning en schreef de eigenaar aan het (laten) gebruiken van de units voor bewoning binnen één week te staken en gestaakt te houden en de voorzieningen die bewoning mogelijk maken binnen vier weken te verwijderen en verwijderd te houden onder oplegging van een dwangsom van € 30.000,00. Niet de eigenaar, maar de huurders kwamen op tegen dat besluit. Dat leidde tot een beroepsprocedure bij de rechtbank, maar die kwam niet toe aan een inhoudelijk oordeel van de beroepsgronden van de huurders omdat zij als huurders slechts een afgeleid belang zouden hebben bij het dwangsombesluit. De Afdeling moest zich vervolgens buigen over de vraag of de rechtbank het bij het juiste eind had.

In de hoger beroepsprocedure betoogden de huurders dat zij wel degelijk belanghebbenden zijn. Daartoe voerden zij aan dat zij als huurders en gebruikers van de units een rechtstreeks belang hebben, ondanks dat de opgelegde last niet aan hen was gericht. Zij zouden immers door het besluit genoodzaakt worden de bewoning van de units te beëindigen en worden daarbij geraakt in een fundamenteel belang, te weten hun huisvesting.

Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

De rechtbank overwoog dat appellanten bij de last onder dwangsom als huurders geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zouden zijn. De last is namelijk niet aan hen gericht en zij kunnen ook geen dwangsommen verbeuren. De rechtbank kwam dan ook tot het oordeel dat appellanten slechts een van de eigenaar afgeleid belang hebben en niet-ontvankelijk waren in hun bezwaren.  

De Afdeling ging vervolgens niet mee in het oordeel van  de rechtbank. Immers, zoals de Afdeling eerder had overwogen (in de uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:99) is in beginsel slechts de overtreder belanghebbende bij de oplegging van een last onder dwangsom, omdat alleen hij de dwangsom kan verbeuren, maar sluit dat niet uit dat ook een ander dan de overtreder belanghebbende kan zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Appellanten hadden als huurders van de bedrijfsunits een eigen belang dat rechtstreeks was betrokken bij het besluit, omdat de opgelegde last onder dwangsom tot doel had de bewoning van de units te beëindigen. Er is derhalve een fundamenteel recht in geding - het woonrecht - zodat appellanten als belanghebbende hadden moeten worden aangemerkt. De rechtbank had dat ten onrechte niet onderkend.

Daarbij was tevens van belang dat appellanten de bewoning wilden hervatten indien het hoger beroep zou slagen en dat dit instemming heeft van de eigenaar die zelf geen hoger beroep had ingesteld. Tegen die achtergrond kwam de Afdeling tot de slotsom dat de huurders wel degelijk konden opkomen tegen de last tot staking van de bewoning.

Het voorstaande baatte de huurders uiteindelijk niet omdat ze inhoudelijk het gelijk niet aan hun zijde hadden. Dit doet naar mijn mening echter niets af aan de les voor de praktijk die uit deze Afdelingsuitspraak valt te trekken en dat is de bevestiging dat de kring van belanghebbenden ruimer kan uitvallen dan enkel en alleen de overtreder.

Voor meer informatie over dit onderwerp, neemt u gerust contact met ons op.

Auteur: