Ff900b29a1100db39d3a4dc510a340dc03a3cf18

Asbestsaneerder zegeviert in hoger beroep: lessen voor de handhavingspraktijk

28 januari 2022

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 26 januari 2022 een belangrijke uitspraak gedaan voor wat betreft het toezicht binnen de asbestbranche. Tim Segers stond in deze kwestie een asbestsaneerder bij wiens certificaat asbestverwijdering onvoorwaardelijk was geschorst door een certificerende instelling. Nadat de voorzieningenrechter akkoord was gegaan met een uitstel van de inwerkingtreding van het besluit, is de onvoorwaardelijke schorsing in hoger beroep van tafel geveegd. De uitspraak biedt een aantal belangrijke richtsnoeren voor de praktijk. De Afdeling gaat onder meer in op de vraag wanneer de saneerder heeft voldaan aan zijn verplichting om te saneren conform de risicoklasse in het inventarisatierapport. Daarnaast doet de Afdeling een uitspraak over de vraag of het doen van een nieuwe sloopmelding is vereist wanneer tijdens de saneringswerkzaamheden niet-geïnventariseerd asbest wordt aangetroffen. Dit laatste vergt volgens ons ook een koerswijziging ten aanzien van de huidige wijze van toezicht en handhaving op grond van het Bouwbesluit. Tot slot biedt de uitspraak duidelijkheid ten aanzien van de vraag onder welke omstandigheden saneerders over een geldig facefit-testcertificaat dienen te beschikken.

Risicoklasse inventarisatierapport leidend voor asbestsaneerder

De risicoklasse-indeling in het inventarisatierapport op basis waarvan was gesaneerd, was gebaseerd op een validatieonderzoek waarbij de oorspronkelijke risicoklasse (2) had plaatsgemaakt voor risicoklasse 1. Volgens de certificerende instelling zou in het asbestinventarisatierapport een onjuiste (SMART) risicoklasse zijn opgenomen. Hoewel vaststond dat het saneringsbedrijf had gesaneerd conform de risicoklasse in het inventarisatierapport, werd een afwijking op het certificaat uitgeschreven voor het niet conform de (juiste) risicoklasse saneren. Hiermee werd door de certificerende instelling in feite de verantwoordelijkheid voor de vermeende onjuiste risicoklasse op het bordje van de saneerder geschoven.

Volgens de Afdeling is hiermee miskend dat asbestinventarisatiebedrijven en asbestsaneringsbedrijven aparte taken en bevoegdheden hebben. De Afdeling benadrukt in deze uitspraak dat de verantwoordelijkheid voor het bepalen van de risicoklasse in het inventarisatierapport exclusief bij het asbestinventarisatiebedrijf ligt. Als de risicoklasse al onjuist zou zijn, oordeelt de Afdeling dat dit niet onder de verantwoordelijkheid van de saneerder valt.

Nu het inventarisatierapport uitging van risicoklasse 1, mocht in deze risicoklasse worden gesaneerd. Van de door de certificerende instelling gestelde ongeoorloofde afwijking van de risicoklasse was dus geen sprake.

 

Geen nieuwe sloopmelding vereist bij aantreffen niet-geïnventariseerd asbest

Volgens de certificerende instelling had de saneerder ten onrechte geen nieuwe sloopmelding ingediend naar aanleiding van extra asbest dat was aangetroffen. Daarom werd een afwijking uitgeschreven voor het niet kunnen tonen van de (juiste) sloopmelding op de projectlocatie. De Afdeling oordeelt echter dat bij het aantreffen van extra asbest het doen van een nieuwe sloopmelding niet verplicht is. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het financiële belang van opdrachtgevers en opdrachtnemers in de bouw- en sloopsector bij het voorkomen van vertraging in de oplevering van projecten. Dit belang zou in het gedrang kunnen komen als de vereiste termijnen voor het indienen van een nieuwe sloopmelding in acht zouden moeten worden genomen voordat de werkzaamheden kunnen worden voortgezet.

Het toezicht vanuit overheidsdiensten hoeft hier volgens de Afdeling niet onder te lijden nu bedrijven op grond van het Bouwbesluit nog altijd wel verplicht zijn om het bevoegd gezag in kennis te stellen van aangetroffen extra asbest.

Overigens volgt uit de uitspraak dat naast de sloopmelding niet ook nog een kopie van deze kennisgeving op de projectlocatie aanwezig hoeft te zijn. Wel doet een saneerder er goed aan om ervoor te zorgen dat nadat het asbest is geïnventariseerd door een daarvoor gecertificeerde partij en zodra een rapport is verstrekt een kopie hiervan te verstrekken aan de werknemers op de projectlocatie (artikel 1.32, onder e van het Bouwbesluit).

 

Geldig facefit-testcertificaat niet bij alle werkzaamheden verplicht

Onder het huidige Certificatieschema is bepaald dat wanneer werknemers kunnen blootstaan aan een asbestvezelconcentratie hoger dan de grenswaarde voor het werken in risicoklasse 1, zij dienen te beschikken over adembescherming met een geldig facefit-testcertificaat. Dit betreft een nuancering ten opzichte van de oude regeling, op basis waarvan werknemers in alle gevallen over een geldig certificaat dienden te beschikken.

De certificerende instelling hanteerde een redelijk restrictieve invulling van de uitzondering waarin bij een asbestvezelconcentratie onder de grenswaarde zonder certificaat kan worden gewerkt. Volgens de certificerende instelling kon uitsluitend bij het gebruik van niet-betreedbare containments worden aangenomen dat saneerders (buiten dit containment) niet konden blootstaan aan een te hoge asbestvezelconcentratie. De Afdeling gaat hier niet in mee en is van mening dat artikel 34 van het Certificatieschema hiermee te eng is uitgelegd. Nu de certificerende instelling niet aannemelijk had gemaakt dat de betreffende Deskundig Toezichthouder Asbest in het kader van zijn taakuitoefening werd blootgesteld aan een te hoge asbestvezelconcentratie, oordeelde de Afdeling dat ook deze afwijking ten onrechte was uitgeschreven.

 

Afronding

Wanneer een certificaathouder niet voldoet aan een of meer bepalingen uit het Certificatieschema kan dit gevolgen hebben voor diens certificaat. Teveel afwijkingen kunnen leiden tot een schorsing van het certificaat van de certificaathouder. In deze zaak was het voldoende geweest om één afwijking van tafel te krijgen om een onvoorwaardelijke schorsing van het certificaat te voorkomen. De Afdeling komt echter tot de conclusie dat maar liefst drie afwijkingen onterecht zijn opgelegd. Dit betekent dat geen grondslag bestond voor het opleggen van een onvoorwaardelijke schorsing,  de asbestsaneerder zijn werkzaamheden mag voortzetten en voor de praktijk dat 1) eindelijk wordt bevestigd dat de verantwoordelijkheid van het bepalen van de risicoklasse bij het asbestinventarisatiebedrijf ligt, 2) geen nieuwe sloopmelding hoeft te worden ingediend bij later aangetroffen asbest en 3) dat alleen werknemers die kunnen worden blootgesteld aan een te hoge asbestvezelconcentratie over adembescherming met een geldig facefit-testcertificaat dienen te beschikken.

 

Wij blijven voor u deze ontwikkelingen volgen. Wilt u meer informatie over dit onderwerp, wenst u advies in een lopende kwestie of wilt u bijgestaan worden in een procedure, neem dan vrijblijvend contact op met een van onze specialisten op het gebied van asbest.

Auteur:
Meer weten? Neem contact op met: